Tijd en ruimte in een verhaal

Introduction

Tijd en ruimte zijn twee belangrijke aspecten in een verhaal. 

Ze vormen een goede basis. Daarom is het belangrijk om deze twee elementen eens onder de loep te nemen. 

Afbeeldingsresultaat voor tijd en ruimte

Task

Jullie kiezen een misdaadroman en gaan deze grondig lezen.

Vooral tijd en ruimte zullen aan bod komen. De nodige kennis vinden jullie terug in jullie werkboek.

De boekbespreking bestaat opnieuw uit twee onderdelen; mondeling en schriftelijk. 

Process

Kies voor 18/01/2019 een misdaadroman. Deze roman moet opnieuw 14+ zijn. 

Hoe kiezen? - Bibliotheek

                     - www.boekenzoeker.be (Kies hier 15+.)

Mondelinge opdracht:

Je geeft de tijdlijn uit je verhaal weer in een Prezi-presentatie. Hiervoor is het van groot belang dat je tijdens het lezen een tijdlijn maakt. Hierdoor ga je achteraf veel gemakkelijker je opdracht kunnen uitvoeren. 

De Prezi-presentatie zorgt voor een logische opbouw in je verhaal. Als er tijdssprongen voorkomen, moet je deze mondeling vermelden. Op je presentatie staat alles chronologisch. 

Schriftelijke opdracht: 

1) Waar speelt het verhaal zich af? Beschrijf uitgebreid de geografische ruimte. Bestaat deze werkelijk of is ze fictief?

2) Is er sprake van sfeerscheppende ruimte, sociale ruimte of symbolische ruimte? Leg uit aan de hand van duidelijke voorbeelden. De drie aspecten moeten aan bod geweest zijn.

3) Beschrijf de vertelde tijd.

    Hoe lang had je nodig om het verhaal te lezen (=verteltijd)?

4) Wordt je verhaal chronologisch verteld? Bevat het verhaal een flashback of flashforward? Verklaar. 

5) Is er sprake van een anachronisme? Geef een voorbeeld. 

Evaluation

Criteria

Check (√)

Teacher

  1. De tekst biedt een antwoord op alle  vragen van p. 2. Deze informatie is correct.

 

0

1

2

3

4

5

  1. De tekst bestaat uit een duidelijke inleiding, een midden en een korte slotalinea met een eigen mening.

 

 

 

0

1

2

3

  1. Je zorgt voor duidelijke alinea’s met een hoofdgedachte.

 

 

 

0

1

2

3

  1. Je zorgt ervoor dat er een overgang gemaakt wordt van de ene naar de andere alinea door bijvoorbeeld gebruik te maken van signaalwoorden.

 

 

 

0

1

2

3

  1. Je maakt gebruik van grammaticaal correcte zinnen.

 

 

 

0

1

2

3

  1. Je taalgebruik is goed. Je gebruikt bijvoorbeeld niet voortdurend dezelfde woorden, maar zorgt voor variatie.

 

 

 

0

1

2

3

 

 

 

 

 

 

 

 

Score

      /20

 

    Je hield rekening met spelling.

    Aantal kleine fouten: … x 0,5 = - …

    Aantal grote fouten: … x 1 = - …

    (Maximum -10)

 

 

 

 

 

 

 

Inhoud

 

 

 

 

 

  1. Is de chronologie van het verhaal duidelijk?

0

1

2

3

  1. Heb je gesproken over de tijdsprongen? 

 

0

1

2

  1. Is de uiteenzetting boeiend? Ben ik enthousiast? Kan ik mensen overtuigen om het boek te lezen of net niet te lezen?

 

0

1

2

Houding en non-verbaal gedrag

 

 

 

 

  1. Zijn mijn bewegingen functioneel? Hebben ze een welbepaald doel?

 

 

0

1

  1. Heb ik voldoende oogcontact met het publiek?

 

 

0

1

Spreektempo en spreektechniek

 

 

 

 

  1. Spreek ik te snel of te traag?

 

 

0

1

  1. Articuleer ik voldoende?

 

 

0

1

  1. Spreek ik voldoende luid? Worden belangrijke woorden voldoende beklemtoond?

 

 

0

1

  1. Is mijn intonatie levendig en afwisselend?

 

0

1

2

Taalgebruik

 

 

 

 

  1. Zijn er taalfouten te horen? (voorzetsels, werkwoorden, …) Spreek ik AN?

0

1

2

3

  1. Heb ik een correcte, uitgebreide woordkeuze en juiste zinsbouw?

0

1

2

3

     Extra opmerkingen:

                                                         Totaal

                /20

Conclusion

Je leerde tijdens deze opdracht meer over tijd en ruimte in een verhaal. Hopelijk ga je hier in de toekomst meer aandacht voor hebben tijdens het lezen van een boek, strip,...

Hieronder vind je nog enkele vraagjes om te reflecteren op je opdracht. 

Schrijven

Je leest de tekst na en beantwoordt voor jezelf een aantal vragen:

- Heb ik alle vragen beantwoord?

- Heb ik rekening gehouden met mijn schrijfdoel?

- Heb ik gewerkt volgende de IMS-structuur?

- Zijn mijn alinea’s opgebouwd rond een duidelijke hoofdgedachte?

- Heb ik de juiste woordenschat gehanteerd?

- Heb ik de zinnen correct opgebouwd?

- Heb ik alles correct geschreven?

Heb ik de juiste werkwijze gevolgd? Wat deed ik goed, wat had ik beter kunnen doen? (foutenanalyse)

 

Spreken

Je leest de tekst na en beantwoordt voor jezelf een aantal vragen:

- Was er een duidelijke chronologie aanwezig in mijn verhaal? Kon iedereen mijn relaas volgen?

- Heb ik rekening gehouden met mijn doel?

- Heb ik rekening gehouden met mijn publiek?

- Heb ik de juiste woordenschat gehanteerd?

- Heb ik een samenhangend verhaal verteld?

- Waar en wanneer heb ik problemen ondervonden? Hoe kan ik deze oplossen?

 

Heb ik de juiste werkwijze gevolgd? Wat deed ik goed, wat had ik beter kunnen doen? (foutenanalyse)

 

 

 

 

Credits
Teacher Page

Eindtermen OVSG

8 Tot spreken bereid zijn, graag spreken en zich willen en durven uiten in het Algemeen Nederlands. 

9 Afspraken in verband met communicatie in de klas kunnen naleven.

10 Spreektaken kunnen plannen, uitvoeren en erop kunnen reflecteren.

11 Zelfstandig informatie kunnen structureren en presenteren.

16 Bereid zijn binnen de gepaste situaties te schrijven. 

17 Schrijftaken kunnen plannen, uitvoeren en erop kunnen reflecteren. 

18 Zelfstandig informatie schriftelijk kunnen structureren en presenteren.

41 Verhaalelementen kunnen herkennen en benoemen.

42 De keuze van sommige verhaalelementen kunnen toelichten.

43 De eigen tekstkeuze kunnen toelichten.

44 De leeservaring kunnen verwoorden.

47 De verzamelde informatie kunnen gebruiken.

48 Gebruik kunnen maken van de gepaste leesstrategieën.

49 Gebruik kunnen maken van een literair begrippenapparaat.

50 Bereid zijn literaire teksten te lezen en over de eigen literaire leeservaringen te spreken en te schrijven.